ECLI:NL:CRVB:2020:3431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering bij verblijf in Canada zonder zwaarwegende redenen
Appellant ontving sinds 2004 een Wajong-uitkering vanwege psychische problematiek en vertrok in januari 2016 naar Canada om daar bij X te wonen. Het Uwv verleende aanvankelijk toestemming voor tijdelijk verblijf met behoud van uitkering, maar weigerde later definitieve toestemming en verlaagde de uitkering wegens arbeidsvermogen. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het besluit over de verlaging en het werkplan.
In hoger beroep betoogde appellant dat het Uwv zijn verzoek ten onrechte beoordeelde op het moment van vertrek in januari 2016, terwijl het volgens hem per latere data had moeten worden beoordeeld. Ook stelde hij dat hem een langere termijn had moeten worden gegund om terug te keren naar Nederland. De Centrale Raad oordeelde dat het Uwv terecht uitgaat van de situatie bij vertrek en dat geen van de zwaarwegende redenen uit het Besluit Beleidsregels aanwezig waren. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat het exportverbod van de Wajong-uitkering uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. De medische behandeling en verzorging door X in Canada werden niet als zwaarwegend erkend. Ook de termijn voor terugkeer was redelijk. De Wajong-uitkering werd daarom per 1 september 2017 beëindigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de Wajong-uitkering bij verblijf in Canada wordt bevestigd.