ECLI:NL:CRVB:2020:3458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen
Appellant was werkzaam als horecamedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze later omdat hij volgens een arbeidsdeskundige nog 75,20% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Tevens weigerde het UWV een WIA-uitkering omdat appellant de wachttijd van 104 weken niet had voltooid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen werden onderschat, met name door lichamelijke en psychische klachten en beperkte taalvaardigheid.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond het medisch onderzoek en de motivatie van het UWV overtuigend. De Raad stelde dat appellant de Nederlandse taal binnen zes maanden op eenvoudig niveau kan leren, passend bij de geselecteerde functies. De functies zijn medisch geschikt en aansluiten bij het opleidingsniveau van appellant.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige of toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering en weigering van de WIA-uitkering door het UWV wordt bevestigd.