ECLI:NL:CRVB:2020:3475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht vastgesteld op 54,73%
Appellante was werkzaam als agrarisch medewerkster en viel uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een hoge mate van arbeidsongeschiktheid vast, die later werd herzien tot 54,73% na een bezwaarprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de geschiktheid van de geselecteerde functies werden bevestigd.
In hoger beroep voerde appellante aan volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten, waaronder een obsessieve compulsieve stoornis. Zij stelde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met deze klachten en dat een psychiatrische expertise had moeten plaatsvinden. Het UWV handhaafde het besluit en de Raad stelde aanvullende vragen waarop het UWV reageerde.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van zowel lichamelijke als psychische klachten, en dat de beperkingen adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Er was geen bewijs dat appellante zwaardere beperkingen had dan vastgesteld. De geselecteerde functies overschreden haar belastbaarheid niet. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit in hoger beroep hersteld, waardoor het besluit in stand bleef.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep van appellante werd afgewezen, waarmee de vaststelling van 54,73% arbeidsongeschiktheid gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht vastgesteld op 54,73% en het hoger beroep wordt afgewezen.