Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:3475

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2020
Publicatiedatum
30 december 2020
Zaaknummer
18/1086 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht vastgesteld op 54,73%

Appellante was werkzaam als agrarisch medewerkster en viel uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een hoge mate van arbeidsongeschiktheid vast, die later werd herzien tot 54,73% na een bezwaarprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de geschiktheid van de geselecteerde functies werden bevestigd.

In hoger beroep voerde appellante aan volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten, waaronder een obsessieve compulsieve stoornis. Zij stelde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met deze klachten en dat een psychiatrische expertise had moeten plaatsvinden. Het UWV handhaafde het besluit en de Raad stelde aanvullende vragen waarop het UWV reageerde.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van zowel lichamelijke als psychische klachten, en dat de beperkingen adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Er was geen bewijs dat appellante zwaardere beperkingen had dan vastgesteld. De geselecteerde functies overschreden haar belastbaarheid niet. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit in hoger beroep hersteld, waardoor het besluit in stand bleef.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep van appellante werd afgewezen, waarmee de vaststelling van 54,73% arbeidsongeschiktheid gehandhaafd bleef.

Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht vastgesteld op 54,73% en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

18.1086 WIA

Datum uitspraak: 31 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2018, 17/3009 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft het Uwv een vraag gesteld waarop het Uwv heeft gereageerd.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam als agrarisch medewerkster voor gemiddeld 41,37 uur per
week. Op 12 januari 2011 is zij voor dit werk uitgevallen vanwege lichamelijke klachten. Nadien zijn ook psychische klachten ontstaan. Het Uwv heeft appellante met ingang van 9 januari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Na een herbeoordeling heeft het Uwv op 10 juli 2015 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 48,92%. Appellante is daarbij meegedeeld dat zij tenminste gedurende 24 kalendermaanden, te weten tot 1 augustus 2017, recht behoudt op een loonaanvullingsuitkering.
1.3.
Op 12 maart 2016 heeft appellante zich bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Appellante heeft het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft
appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 augustus 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 46,39% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het Uwv per 27 september 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 46,39%. Daarbij is appellante nogmaals meegedeeld dat de hoogte van de WIA-uitkering niet wijzigt tot 1 augustus 2017.
1.4.
Appellante heeft tegen het besluit van 12 oktober 2016 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien voor bijstelling van de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de geduide functies niet gehandhaafd en is op basis van de resterende drie functies tot de conclusie gekomen dat appellante 54,73% arbeidsongeschikt is. Om deze reden heeft het Uwv bij besluit van 13 maart 2017 (bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en een gewijzigde resterende verdiencapaciteit en inkomenseis vastgesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat aan de juistheid van de voor appellante vastgestelde beperkingen niet wordt getwijfeld. Door appellante zijn geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat met haar klachten onvoldoende rekening is gehouden. Voor het benoemen van een deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. De rechtbank heeft de voor appellante geduide functies geschikt geacht.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Haar lichamelijke klachten bestaan uit: vermoeidheid, duizeligheid, beenklachten, een oriëntatiestoornis, rug- en nekklachten en armklachten. Het Uwv heeft deze klachten onvoldoende meegewogen. De hoofdpijn- en duizeligheidsklachten worden bevestigd door de huisarts. In dit verband verwijst appellante naar een brief van haar huisarts van 15 maart 2018. Daarin is vermeld dat appellante een obsessieve compulsieve stoornis heeft. Haar psychische klachten vloeien voort uit een stoornis. Er is geen sprake van vermijdingsgedrag of een ernstige deconditionering bij langdurig belastende persoonlijke omstandigheden, zoals de verzekeringsarts heeft aangenomen. Verder heeft appellante gesteld dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is. Als er consistentie is tussen stoornissen en handicaps kan ook zonder een diagnose arbeidsongeschiktheid worden aangenomen. Nu volgens appellante sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis, lag het voor de hand dat het Uwv een expertise zou laten uitvoeren door een psychiater met relevante ervaring op het gebied van persoonlijkheidsstoornissen. Volgens appellante kan worden afgevraagd of zij benutbare mogelijkheden heeft. Appellante acht zich niet in staat om de geduide functies te verrichten. Appellante heeft medicatieoverzichten ingebracht.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
3.3.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 juli 2020 de FML aangepast en een beperking op het aspect 1.9 (persoonlijk risico) toegevoegd. Daarbij is toegelicht dat appellante als gevolg van haar duizeligheidsklachten niet in staat is om arbeid te verrichten op een ladder en op hoogtes en niet in staat is gevaarlijke machines te bedienen. In zijn rapport van 3 augustus 2020 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat het aspect 1.9 in geen van de voor appellante geselecteerde functies voorkomt zodat deze functies ongewijzigd voor haar geschikt zijn.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 september 2016 heeft vastgesteld op 54,73%.
4.3.
Met de rechtbank wordt het medische onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante gezien. De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht. Daarbij hebben de verzekeringsartsen informatie van de huisarts en de behandelaars van appellante bij Zorgbedrijf i-psy, te weten psycholoog S. Kayhan en psychiater A. Alnabawy, bij hun beoordeling betrokken.
4.4.
Van een situatie waarin het ontbreekt aan benutbare mogelijkheden is niet gebleken, zodat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht een FML heeft opgesteld. Er bestaat geen reden om aan de door hem op 15 juli 2020 aangepaste FML te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was bekend met de psychische klachten van appellante en de door de psychiater Alnabawy gestelde diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat voor haar meer of zwaardere psychische beperkingen moeten worden aangenomen. Dat in de brief van de praktijkondersteuner van de huisarts van appellante van 15 maart 2018, naast voormelde diagnose, ook melding wordt gemaakt van een obsessieve compulsieve stoornis leidt niet tot een ander oordeel. Deze brief is niet opgesteld door een arts en bovendien blijkt uit deze brief niet dat de bevindingen ook betrekking hebben op de datum in geding, te weten 27 september 2016. Appellante wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat op dat moment sprake was een ernstige psychiatrische stoornis en dat voor het Uwv een verplichting bestond om een psychiatrische expertise te laten plaatsvinden. Ook de ingebrachte medicatieoverzichten hebben geen betrekking op de datum in geding, zodat hieraan niet de door appellante gewenste waarde kan worden toegekend. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 22 augustus 2016 blijkt dat hij bekend was met de toen door appellante gebruikte medicatie.
4.5.
In verband met de duizeligheidsklachten van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep de FML aangepast. Niet gebleken is dat vanwege deze klachten nog meer beperkingen moeten worden aangenomen. De stellingen van appellante over haar lichamelijke klachten treffen geen doel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was reeds met deze klachten bekend en heeft daarvoor meerdere fysieke beperkingen aangenomen op de FML. Dat appellante hiermee tekort is gedaan, heeft appellante niet onderbouwd met nadere medische gegevens. Evenmin is gebleken dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is.
4.6.
Het oordeel van de rechtbank dat de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden, wordt gevolgd. In het rapport van 3 augustus 2020 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat op basis van de gewijzigde FML de functies onveranderd passend zijn.
4.7.
Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 27 september 2016 heeft vastgesteld op 54,73%. Omdat de FML in hoger beroep is aangepast en het besluit daardoor pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld, omdat ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd en wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Het hoger beroep van appellante slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van gronden.
5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep, in totaal € 1.575,- voor verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van totaal € 1.575,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2020.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) M. Graveland