ECLI:NL:CRVB:2020:3477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig uitzendkracht/betonproductiemedewerker, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd geweigerd.
Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV, dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 32,2% stelde na herbeoordeling. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en vond dat de medische en arbeidskundige gronden voldoende waren gemotiveerd. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische stoornissen en concentratieproblemen onvoldoende waren meegewogen en dat het UWV niet aan alle criteria van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid had getoetst.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling en de selectie van functies adequaat en inzichtelijk waren gemotiveerd. De psychische klachten werden als normale reacties op omstandigheden gezien en niet als ziekte of gebrek die tot extra beperkingen leiden. De arbeidsdeskundige had terecht rekening gehouden met het opleidingsniveau en taalvaardigheid van appellant. De berekening van het maatmanloon was correct. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.