ECLI:NL:CRVB:2020:3478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid op 35,70% in WIA-procedure
Appellant was werkzaam als medewerker en meldde zich op 29 maart 2014 ziek. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met ingang van 13 december 2016 voor 35,70% arbeidsongeschikt was en kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, waaronder een ernstige depressieve stoornis en PTSS, waren onderschat en dat een urenbeperking had moeten worden toegepast. Hij verwees naar diverse medische protocollen en rapporten van behandelaars. De Raad concludeerde dat het UWV de beperkbaarheid van appellant zorgvuldig en gemotiveerd had vastgesteld, waarbij protocollen slechts ondersteunend zijn en niet bindend.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de verzekeringsartsen alle relevante medische informatie hadden betrokken, waaronder gegevens van de bedrijfsarts, huisarts, Dimence en psychiater. Er was geen aanwijzing dat de beperkingen waren onderschat. De geselecteerde functies waren medisch geschikt. Benoeming van een deskundige was niet nodig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is vastgesteld op 35,70%.