ECLI:NL:CRVB:2020:3479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid WIA en geschiktheid functies met toekenning proceskosten
Appellante, die sinds 2008 arbeidsongeschikt is na een herseninfarct, kreeg door het Uwv een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordelingen stelde het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 69,47% per 4 januari 2017 en 71,49% per 1 oktober 2017. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbanken verklaarden haar beroepen ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch oordeel onjuist was en dat de geselecteerde functies niet passend waren, mede vanwege haar compulsieve stoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin rekening werd gehouden met beperkingen zoals nachtdiensten. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de functies passend bleven.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd is, evenals de geschiktheid van de geselecteerde functies. Hoewel de motivering van de besluiten aanvankelijk ondeugdelijk was, wordt dit gebrek gepasseerd omdat de uitkomst gelijk zou zijn gebleven. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Daarnaast veroordeelt de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief griffierecht, vanwege toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door S. Wijna op 31 december 2020.
Uitkomst: De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid van functies worden bevestigd; het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.