ECLI:NL:CRVB:2020:3481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als assemblagemedewerker en sinds 2012 ziekgemeld, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Zowel bezwaar, beroep bij de rechtbank als hoger beroep bij de Raad bevestigden dit besluit.
Medisch onderzoek door verzekeringsartsen toonde aan dat appellante beperkingen had, maar deze waren niet zodanig dat zij aanspraak kon maken op een WIA-uitkering. De klachten aan hand, arm, nek en schouder zijn beoordeeld en meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Psychische klachten en medicijngebruik werden door de Raad niet als voldoende onderbouwd geacht om beperkingen te erkennen.
De Raad concludeert dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk onderzoek heeft verricht, waarbij alle medische informatie is betrokken. De stellingen van appellante over onderschatting van haar klachten en de wens tot benoeming van een deskundige worden verworpen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.