ECLI:NL:CRVB:2020:3487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als thuishulp, meldde zich in 2009 ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving vanaf 2011 een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen stelde het UWV in 2016 vast dat zij belastbaar was met beperkingen, wat leidde tot beëindiging van haar uitkering per 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeelden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld, ook rekening houdend met psychische problematiek zoals PTSS.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij al vóór de start van EMDR-therapie in maart 2018 volledig arbeidsongeschikt was en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad concludeerde echter dat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd en dat de ernst van de klachten op de datum in geding niet hoger was dan vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de beëindiging van de WGA-uitkering rechtsgeldig is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering van appellante wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.