ECLI:NL:CRVB:2020:3490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatmanfunctie maaltijdbezorger
Appellant, laatst werkzaam als maaltijdbezorger, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant per 7 juni 2018 hersteld was voor zijn maatgevende arbeid en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functie van maaltijdbezorger medisch geschikt was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met medische informatie van zijn huisarts en psycholoog, die spraken van een zware depressie en cognitieve beperkingen. Ook stelde appellant dat zijn functie deadlines en conflicterende eisen kende, wat niet verenigbaar was met zijn beperkingen.
De Raad oordeelde dat de medische informatie reeds was betrokken bij het oordeel van de verzekeringsarts en dat de cognitieve beperkingen niet medisch geobjectiveerd waren. De Raad volgde het oordeel dat de maatmanfunctie van maaltijdbezorger geen deadlines of conflicterende functie-eisen kent in de zin van het CBBS. Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd omdat appellant medisch geschikt is voor de maatmanfunctie maaltijdbezorger.