Appellante ontving sinds 2000 een WAO-uitkering, die in 2016 werd herbeoordeeld en ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 15-25% en achtte appellante geschikt voor bepaalde functies, waaronder bestucker en operator assemblage.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat zij zich conformeerde aan de medische conclusies, behalve op het punt van blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen (beoordelingspunt 3.6). Het hoger beroep spitste zich toe op de vraag of de longproblematiek voldoende was meegewogen en of de geselecteerde functies passend waren.
De Raad liet een te laat ingediend arbeidskundig rapport buiten beschouwing en oordeelde dat de beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 1 april 2020, waarin een schone werkomgeving werd voorgeschreven, adequaat rekening hielden met de bronchiale hyperreactiviteit. De functies bestucker en operator assemblage werden als passend beoordeeld, waarbij de arbeidsdeskundige toelichtte dat er geen kenmerkende blootstelling aan prikkelende stoffen was.
Omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep volledig was, was het bestreden besluit formeel ondeugdelijk gemotiveerd, maar dit gebrek werd gepasseerd. Het hoger beroep werd afgewezen, het bestreden besluit bleef in stand en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.