Appellant ontving kinderbijslag voor zijn dochter, die vanaf begin 2018 bij haar moeder woonde. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2018 aan de moeder toe te kennen en vorderde terugbetaling van de teveel betaalde kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 2018 bij appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat het verblijf van de dochter bij de moeder ongeoorloofd was en dat hij de kinderbijslag aan de moeder had doorbetaald. Tevens wees hij op zijn schuldsaneringstraject en de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat de Svb onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie en dat de terugvordering over het eerste kwartaal 2018 onaanvaardbare gevolgen heeft voor appellant. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar ongegrond is verklaard, verklaart het bezwaar gegrond en herroept de terugvordering over het eerste kwartaal 2018. Daarnaast veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellant.