ECLI:NL:CRVB:2018:1348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken onderhoudsbijdrage en terugvordering
Appellant ontving kinderbijslag voor twee kinderen die vanaf de zomer van 2014 in Marokko verbleven. Appellant was van augustus 2014 tot mei 2016 gedetineerd in Spanje en verloor zijn woning in Nederland. De kinderbijslag werd beëindigd en teruggevorderd omdat appellant niet meer in Nederland woonde of werkte en daardoor niet verzekerd was.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar dit werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De Raad oordeelde dat het bezwaar ontvankelijk moest worden geacht en besloot inhoudelijk over het geschil te oordelen. Volgens artikel 7 AKW Pro heeft appellant alleen recht op kinderbijslag als hij zijn kinderen onderhoudt, wat hij niet aannemelijk kon maken.
De door appellant overgelegde stukken betroffen school- en crèchekosten die door zijn broer werden betaald, wat niet voldeed aan de eis van eenvoudige controleerbaarheid. De Raad oordeelde dat de kinderbijslag terecht werd geweigerd. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering, ondanks de financiële situatie van appellant.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, maar het bezwaar tegen de besluiten ongegrond. De Sociale Verzekeringsbank werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, maar het bezwaar tegen de kinderbijslagbesluiten wordt ongegrond verklaard en de terugvordering blijft gehandhaafd.