ECLI:NL:CRVB:2020:3533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtelijk functioneren en personeelsbeoordeling bij IND bevestigd in hoger beroep
Appellante, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst sinds 2006, kreeg een negatieve personeelsbeoordeling over de periode 2015-2017. De beoordeling betrof onder meer onvoldoende functioneren bij het redigeren van beschikkingen en het afnemen van gehoren, alsmede op competenties zoals samenwerken en houding.
Na bezwaar handhaafde de minister de beoordeling, ondanks een afwijkend advies van de adviescommissie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de beoordeling op voldoende gronden berustte, mede gelet op voortgangsgesprekken en verslagen van begeleiders.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom haar commentaar niet was gevolgd, dat haar caseload en productie bovengemiddeld waren en dat e-mailcorrespondentie aantoonde dat concepten vaak direct werden goedgekeurd. De Raad verwierp deze gronden, oordeelde dat de beoordeling de terughoudende toets kan doorstaan en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat bij negatieve beoordelingen concrete feiten vereist zijn en dat het niet nodig is dat elk feit boven elke twijfel verheven is. De enkele aanwezigheid van slordigheden en onvoldoende productie in de beoordelingsperiode rechtvaardigen het oordeel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de negatieve personeelsbeoordeling wordt bevestigd.