ECLI:NL:CRVB:2020:3538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid en voortzetting WGA-uitkering
Appellant, een voormalig internationaal vrachtwagenchauffeur, werd sinds 2012 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard vanwege een ernstige huidaandoening en psychische klachten. Het UWV stelde in 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 72,01%, later bij bezwaar verhoogd naar 76,84%, met voortzetting van de WGA-loonaanvullingsuitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en consistent werd bevonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen onderschat waren en dat hij vanaf 2019 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd verklaard, wat volgens hem strijdig was met de rechtszekerheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen in de loop der jaren niet gelijk zijn gebleven en dat de arbeidskundige beoordeling adequaat was. Het beroep faalde, mede omdat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn stellingen en geen aanleiding bestond voor benoeming van een deskundige. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 76,84% arbeidsongeschiktheid en de voortzetting van de WGA-loonaanvullingsuitkering per 7 november 2016.