ECLI:NL:CRVB:2020:367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek met rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkbaarheid passend was vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, wijzend op pijnklachten en medicatiegebruik. Het UWV paste de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan met extra beperkingen, maar concludeerde dat de geselecteerde functies nog steeds passend waren. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
Hoewel het bestreden besluit niet volledig gemotiveerd was door de latere aanpassing van de FML, werd dit gebrek gepasseerd omdat het belanghebbende niet benadeelde. De Raad bevestigde het besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.