ECLI:NL:CRVB:2020:368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel in 2009 uit wegens rug- en bekkenklachten en ontwikkelde later ook psychische en gewrichtsklachten. Zij ontving vanaf 2011 een WIA-uitkering die in 2016 werd herbeoordeeld. Het UWV beëindigde de uitkering per januari 2017 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 1,49% en beëindigde de uitkering per juni 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen, onderbouwd met nieuwe medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante onvoldoende medische gegevens heeft overgelegd die de vastgestelde beperkingen op de datum in geding onderschatten. De brief van een reumatoloog uit 2018 bevat geen relevante informatie voor de beoordelingsdatum. De Raad volgt het UWV in het oordeel dat de functies passend zijn en dat appellante deze kan verrichten.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.