ECLI:NL:CRVB:2020:384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering en oplegging bestuurlijke boete wegens niet-thuiswonend zijn
Appellante ontving vanaf 1 oktober 2016 studiefinanciering als uitwonende studente, terwijl zij volgens een huisbezoekrapport niet op het opgegeven adres woonde. De minister herzag daarom de studiefinanciering en vorderde €1.868,46 terug. Tevens werd een bestuurlijke boete van €934,23 opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat onvoldoende persoonlijke eigendommen in de woning aanwezig waren om haar bewoning aannemelijk te maken. Appellante voerde aan dat het huisbezoek onzorgvuldig was en dat controleurs zich discriminerend hadden gedragen, maar deze klachten werden gemotiveerd weerlegd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren zonder nieuwe feiten of bewijs. De Raad onderschreef de rechtbank en concludeerde dat het rapport en de verklaringen van de hoofdbewoonster geen aanwijzingen bevatten voor onzorgvuldigheid of druk. De Raad achtte het aannemelijk dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het adres en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de studiefinanciering en de oplegging van de bestuurlijke boete.