ECLI:NL:CRVB:2020:392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 18 augustus 2017 te beëindigen, omdat hij geschikt werd geacht voor passende arbeid waarmee hij meer dan 65% van zijn vroegere loon kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant duidelijk had gemotiveerd. Er ontbrak medische objectivering voor de stelling van appellant dat zijn psychische klachten onvoldoende waren meegenomen.
Ook was er geen reden om te veronderstellen dat appellant belemmeringen had ondervonden bij het onderbouwen van zijn standpunt. Het UWV had voldoende gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd, medisch gezien geschikt waren voor appellant. Appellant overlegde in hoger beroep geen nieuwe medische informatie die het oordeel zou kunnen doen wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep zag geen aanleiding om het vonnis van de rechtbank te wijzigen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid.