ECLI:NL:CRVB:2020:402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluiten over beëindiging ziekengeld en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en ontving een WW-uitkering toen zij zich ziek meldde met schouderklachten. Het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd per 3 maart 2017. De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies waarop de toetsing was gebaseerd medisch geschikt waren.
Vervolgens weigerde het UWV een WIA-uitkering toe te kennen per 1 februari 2018, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Ook dit besluit werd door de rechtbank bevestigd, waarbij werd vastgesteld dat de belastbaarheid juist was vastgesteld en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep stelde appellante dat bepaalde beperkingen onderbelicht waren gebleven en verzocht zij om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was, dat de beperkingen adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat er geen aanleiding was tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraken en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV worden bevestigd.