ECLI:NL:CRVB:2020:408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en maatmanloon bij WAO-uitkering
Appellant, arbeidsongeschikt verklaard sinds 2004 met een mate van 25-35%, betwistte de vaststelling van zijn maatmanloon en de omvang van zijn maatmanarbeid in hoger beroep. Hij voerde aan dat de belaste kilometervergoeding niet was meegenomen, dat er structureel meer dagen werden gewerkt in de referteperiode en dat de omvang van zijn maatmanarbeid hoger was dan vastgesteld.
De rechtbank had eerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het UWV verplicht tot een nabetaling, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de kilometervergoeding niet langer in geschil was en dat de referteperiode correct was toegepast. De Raad stelde vast dat geen sprake was van structureel extra gewerkte dagen en dat wijzigingen in het maatmaninkomen na 2004 niet in aanmerking worden genomen, conform artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
De Raad concludeerde dat de omvang van de maatmanarbeid in 2016 geen invloed heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd, en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.