Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:42

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2020
Publicatiedatum
9 januari 2020
Zaaknummer
18/1257 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen beslaglegging op AOW-pensioen dienen bij burgerlijke rechter te worden voorgelegd

Appellante ontvangt een AOW-pensioen en maakte bezwaar tegen een beslaglegging op haar vakantiegeld door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb had een deel van het vakantiegeld overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarderskantoor ter uitvoering van het beslag. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de bestuursrechter geen bevoegdheid heeft om de beslagvrije voet vast te stellen.

In hoger beroep betoogde appellante dat er geen beslag op haar AOW-pensioen gelegd mocht worden omdat zij geen schuld had. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en bevestigde dat bezwaren tegen beslaglegging door de beslagdebiteur bij de burgerlijke rechter moeten worden ingediend. De bestuursrechter toetst alleen of het bestuursorgaan binnen het beslagkader is gebleven.

Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de Svb buiten het beslagkader was getreden. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

18.1257 AOW

Datum uitspraak: 9 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
14 december 2017, 17/2932 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.

OVERWEGINGEN

1. Appellante ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met een besluit van 1 mei 2017 heeft de Svb appellante laten weten dat ter uitvoering van een hierop gelegd beslag een gedeelte van het vakantiegeld, € 497,80, aan Kerckhoffs
& Lasonder Gerechtsdeurwaarders en Incasso zal worden overgemaakt. In een beslissing van 16 mei 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank komt aan de Svb en de bestuursrechter geen bevoegdheid toe bij het vaststellen van de beslagvrije voet, welke voet volgens appellante onjuist was vastgesteld.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd. Naar haar mening dient er in het geheel geen beslag op haar AOW-pensioen gelegd te worden, nu haar geen enkele blaam treft bij het ontstaan van de gestelde schuld.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687) moet een beslagdebiteur bezwaren betreffende een gelegd beslag voorleggen aan de burgerlijke rechter, De derde-beslagene is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te beoordelen. Anders dan appellante heeft gesteld, betekent ‘gehouden’ in dit verband dat de Svb verplicht is medewerking aan het beslag te verlenen. De bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid daarvan als een gegeven te beschouwen. De toetsing door de bestuursrechter kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. De Raad kan niet ingaan op de vraag of de schuld die heeft geleid tot het beslag, terecht aan appellante is toegeschreven. Als zij vindt dat haar ten onrechte deze schuld wordt toegeschreven, dient zij zich tot de beslaglegger en/of de burgerlijke rechter te wenden.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep niet aan de hand van enig concreet gegeven aannemelijk gemaakt dat de Svb niet binnen het kader van het gelegde beslag is gebleven. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H.S. Huisman