ECLI:NL:CRVB:2020:436
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken materiële connexiteit
Verzoeker ontvangt bijstand en bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten. Na verhuizing werd bijzondere bijstand toegekend met een overgangsregeling die beëindiging voorschreef indien verzoeker niet vóór 1 februari 2019 de kantonrechter verzocht zijn bewindvoerder te ontslaan en de Groningse Kredietbank als bewindvoerder te benoemen. Verzoeker voldeed hier niet aan, waarna het college het bezwaar ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde beroep in en vroeg een voorlopige voorziening die door de rechtbank deels werd toegekend.
In hoger beroep verzocht verzoeker opnieuw om een voorlopige voorziening wegens onvermogen de kosten vanaf januari 2020 te voldoen, verwijzend naar een afwijzing van bijzondere bijstand voor 2020. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste omdat het geschil in de bodemprocedure ziet op besluiten tot en met februari 2019, terwijl het verzoek betrekking heeft op een latere periode.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk en wijst het af zonder inhoudelijke behandeling. Verzoeker kan tegen het besluit van januari 2020 afzonderlijk rechtsmiddelen aanwenden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materiële connexiteit.