ECLI:NL:CRVB:2020:438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende toekenning langdurigheids- en inkomenstoeslag bij ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant en zijn echtgenote ontvangen sinds 2004 bijstand en hebben in 2017 een aanvraag ingediend voor langdurigheids- en individuele inkomenstoeslag over meerdere jaren. Het college wees de aanvraag voor terugwerkende kracht af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil is of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die toekenning van toeslagen met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij voldoende contact had gehad met het college, waardoor het college op de hoogte had moeten zijn van het recht op toeslagen. De rechtbank oordeelde echter dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat er contact was over de toeslagen, waardoor geen bijzondere omstandigheden konden worden aangenomen.
De Raad voegt toe dat appellant en zijn echtgenote reeds in 2009 en 2013 toeslagen hadden aangevraagd en toegekend gekregen, en dat het onbegrijpelijk is dat zij daarna nagelaten hebben jaarlijks opnieuw een aanvraag in te dienen. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van terugwerkende toekenning van toeslagen bevestigd.