Appellante was sinds 1988 werkzaam bij de provincie Overijssel en kreeg in 2014 en 2015 matige tot slechte beoordelingen. Na burn-outklachten hervatte zij haar werk, maar er ontstonden problemen met werktijdregistratie, wat leidde tot een disciplinaire berisping. Het college verleende haar ontslag per 1 januari 2017 primair wegens ongeschiktheid en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het primaire ontslag wegens onvoldoende gelegenheid tot verbetering, maar handhaafde het ontslag op subsidiaire grond. De Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het college appellante onvoldoende concreet en met een duidelijk tijdpad heeft aangesproken om haar functioneren te verbeteren, mede gezien haar ziekteperiode.
Daarnaast is de Raad het eens met het college dat de samenwerking tussen appellante en collega’s in een impasse was geraakt, versterkt door de disciplinaire sanctie, waardoor ontslag op subsidiaire grond gerechtvaardigd is. Er is geen sprake van een overwegend aandeel van het college in de verstoorde arbeidsverhouding, zodat geen aanvullende vergoeding wordt toegekend.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin geen proceskostenveroordeling is uitgesproken en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante, inclusief het griffierecht. Hiermee wordt appellante deels in het gelijk gesteld en het ontslag op subsidiaire grond bevestigd.