Appellant, voormalig timmerman, heeft zich ziek gemeld met rugklachten en ontving sinds 2009 een WGA-uitkering. Na diverse herbeoordelingen en medische ingrepen, waaronder een knieoperatie en hartoperatie, meldde appellant toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV handhaafde de WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45% voor de periode van 1 augustus 2015 tot 1 januari 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische rapporten zorgvuldig en volledig waren en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2013 passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de FML niet rekening hield met zijn gewijzigde medische situatie, waaronder nier- en kransslagaderklachten, en dat zijn knieklachten waren verergerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de verzekeringsartsen alle relevante medische informatie hadden betrokken en dat er geen reden was om de beperkingen in de FML te betwisten. Ook het argument dat het morfinegebruik onvoldoende was meegenomen, werd verworpen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.