ECLI:NL:CRVB:2020:467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid ondanks hartklachten
Appellant ontvangt sinds 2000 een WAO-uitkering vanwege rug- en later hart- en psychische klachten. Na een periode zonder recht op uitkering werd in 2017 vastgesteld dat appellant vanaf 12 maart 2016 voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt is, waarop zijn uitkering werd verhoogd. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn hartklachten die hem beperken bij inspanning.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en juist was uitgevoerd, met voldoende aandacht voor de hartklachten. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd, waarbij geen hoog handelingstempo vereist is.
In hoger beroep betoogde appellant dat de beperkingen door zijn hartklachten onderschat waren en dat hij de geselecteerde functies niet kon uitvoeren. De Raad volgde dit niet, omdat de medische beoordeling inclusief hoorzitting en medisch dossier adequaat was en de arbeidsdeskundige de functies juist had geselecteerd met correcte toepassing van gegevens uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.
De Raad concludeerde dat de bezwaren onvoldoende waren onderbouwd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is verhoogd tot 35-45% arbeidsongeschiktheid vanaf 12 maart 2016.