ECLI:NL:CRVB:2020:47
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 59,39% met proceskostenveroordeling UWV
Appellante, voormalig schoonmaakster, was sinds 2006 ziek gemeld en ontving een WIA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 55,92%, later bij bezwaar verhoogd naar 59,39%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten en medicijngebruik onvoldoende waren meegewogen, en dat de verzekeringsarts de protocollen niet had gevolgd. De verzekeringsarts paste daarop de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan, maar concludeerde dat de geduide functies nog steeds passend waren.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 59,39% heeft vastgesteld. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek in hoger beroep hersteld en was er geen nadeel voor appellante. Daarom werd het hoger beroep afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 59,39% arbeidsongeschiktheid en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.