ECLI:NL:CRVB:2020:470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening WAO-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van 3 mei 2013 waarin zijn bezwaar tegen het weigeren van een WAO-uitkering werd afgewezen. Het UWV had aanvankelijk geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen omdat verzoeker minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Na diverse procedures bevestigde de Raad dit oordeel.
Verzoeker stelde dat nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder een besluit van de gemeente Oosterhout en een medisch advies uit 2017, aanleiding geven tot herziening. Tevens verwees hij naar een brief van een psychiater uit 2012. Het UWV stelde dat deze informatie niet relevant is voor de situatie op de peildatum in 2006 en dat de brief uit 2012 reeds bekend was.
De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening alleen kan slagen indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, bij verzoeker niet bekend waren en bij de rechter tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. De nieuwe stukken dateren van na de uitspraak en de brief uit 2012 was reeds bekend. Daarom voldoet het verzoek niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro en wordt het afgewezen.
Er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door S. Wijna op 26 februari 2020.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de WAO-uitspraak wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten die aan de wettelijke voorwaarden voldoen.