ECLI:NL:CRVB:2020:475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in 2012 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. In november 2015 meldde zij toegenomen klachten, waaronder migraine en depressieve klachten, maar het UWV stelde na onderzoek vast dat er geen toename was van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de toegenomen psychische klachten niet uit dezelfde oorzaak voortkwamen als de oorspronkelijke klachten. Ook was onvoldoende aangetoond dat de migraineklachten tot toegenomen beperkingen leidden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat, maar zij overlegde geen nieuwe medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat de migraineklachten voortkomen uit dezelfde oorzaak als de eerder vastgestelde spierspanningshoofdpijn en dat de psychische klachten een andere oorzaak hebben. Hierdoor is geen recht op een WIA-uitkering ontstaan per 3 november 2015. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering per 3 november 2015 bevestigd.