Appellant ontving bijstand en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam onderzocht op rechtmatigheid. Uit bankafschriften bleek dat appellant gebruikmaakte van een bankrekening van zijn ex-partner, waarvan hij niet had gemeld dat hij erover kon beschikken. Het college trok daarop de bijstand in vanaf september 2015 en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de beschikking over de bankrekening van de derde. Echter, voor de maanden november 2015 en februari 2016 kon op basis van bankafschriften worden vastgesteld dat appellant recht had op bijstand.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor die maanden en de terugvordering in zijn geheel, en beval het college een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze vaststellingen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.