ECLI:NL:CRVB:2020:491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag naar alleenstaande ouder norm in gehuwdenperiode
Appellante en haar partner hebben gezamenlijk een aanvraag om bijstand ingediend, waarbij zij verklaarden samen te wonen en een gezamenlijke huishouding te voeren. De aanvraag werd ingediend na verhuizing naar een nieuwe gemeente.
Uit onderzoek door de uitvoeringsinstantie bleek dat de partner werkzaam was op basis van een nul-urencontract en dat er onregelmatigheden waren in de opgegeven werktijden. Appellante heeft later telefonisch gemeld dat de partner het huis had verlaten, maar dit was na de te beoordelen periode.
Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag over de periode van samenwoning beoordeeld naar de gehuwdennorm en de aanvraag naar de alleenstaande ouder norm afgewezen. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij niet samenwoonde en dat de beoordeling naar de alleenstaande ouder norm had moeten plaatsvinden, maar dit is niet onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aanvraag terecht als gezamenlijke aanvraag is beoordeeld en bevestigt het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag naar de alleenstaande ouder norm over de periode van samenwoning.