ECLI:NL:CRVB:2020:492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het bezwaar tegen afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft meerdere keren een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd, waaronder een WAO-uitkering in 1999 en later Wajong-uitkeringen. Haar eerdere aanvragen werden afgewezen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht en er geen medische gegevens waren die wezen op beperkingen voor haar zeventiende verjaardag.
In 2015 diende appellante een verzoek in om terug te komen op het besluit van 2013, maar het UWV wees dit af omdat de ingebrachte gegevens reeds bekend waren en geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht geen inhoudelijk onderzoek hoefde te verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten mogelijk onvoldoende waren meegewogen en dat zij meer beperkingen ondervond dan aangenomen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van nieuwe feiten en dat het UWV niet verplicht was het eerdere besluit te herzien. De Raad verwees naar jurisprudentie waarin is bepaald dat een verzoek om terugkomst van een besluit goed onderbouwd moet zijn met nieuwe feiten die betrekking hebben op de oorspronkelijke beoordelingsdatum.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.