ECLI:NL:CRVB:2020:503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering door UWV
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met klachten aan schouder, arm en hand na een val op het werk. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 februari 2017 vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de FML juist was opgesteld en de geselecteerde functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, waaronder nekklachten en longklachten, waren onderschat en dat een urenbeperking ten onrechte niet was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat de medische rapporten, waaronder die van de orthopedisch chirurg, geen aanleiding gaven tot extra beperkingen. De arbeidsdeskundigen hadden overtuigend gemotiveerd dat de functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft geweigerd.