Uitspraak
18.2317 PW
22 maart 2018, 17/4971 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds 2004 en stond ingeschreven op een bepaald woonadres. Naar aanleiding van een melding dat appellant niet op dit adres woonde, voerde het college onderzoek uit, waaronder een huisbezoek waarbij bleek dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef. Het college trok de bijstand per 1 februari 2017 in wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk op het uitkeringsadres sliep en vanwege psychische klachten veel tijd doorbracht op een ander adres. Hij betoogde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf wordt bepaald door het zwaartepunt van het persoonlijke leven en dat het college voldoende feiten had verzameld om aan te tonen dat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Het huisbezoek toonde afwezigheid van persoonlijke spullen en aanwezigheid van anderen. Het college hoefde geen aanvullend onderzoek te verrichten.
Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres wordt bevestigd.