ECLI:NL:CRVB:2020:530

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2020
Publicatiedatum
3 maart 2020
Zaaknummer
17/6860 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor torische implantlenzen wegens voorliggende voorziening Zvw

Appellante vroeg bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een torische implantlens van €700,- die bij een oogoperatie wordt ingebracht. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt en de kosten voor de torische lens niet worden vergoed, waardoor deze als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep voerde appellante aan dat de operatie medisch noodzakelijk is en dat de zorgverzekeraar wel de operatie vergoedt, maar niet de torische implantlens. Zij stelde dat deze lens noodzakelijk is vanwege haar cilindrische afwijking en dat bijzondere bijstand daarom terecht zou moeten worden toegekend.

De Raad oordeelde dat de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving als passende en toereikende voorliggende voorziening gelden volgens artikel 15 van Pro de Participatiewet. De keuze om de kosten van de torische lens niet te vergoeden is een bewuste beleidskeuze binnen de Zvw. Het belang dat appellante hecht aan de torische lens kan niet leiden tot toekenning van bijzondere bijstand. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

17 6860 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 3 maart 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 september 2017, 17/3799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Namens appellante is verschenen mr. De Witte. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 29 december 2016 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend voor de kosten van een torische implantlens van € 700,-die bij een oogoperatie wordt ingebracht.
1.2.
Bij besluit van 17 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen recht op bijzondere bijstand bestaat, omdat voor de gevraagde kosten sprake is van een voorliggende voorziening die passend en toereikend is als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW, te weten de Zorgverzekeringswet (Zvw). Voor zover de ziektekostenverzekering de kosten niet vergoedt, worden deze kosten als niet noodzakelijk aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de operatie aan haar ogen medisch noodzakelijk is en dat de kosten van de behandeling wel door de zorgverzekeraar worden vergoed, echter de kosten voor torische implantlenzen niet. Omdat appellante een cilindrische afwijking heeft, heeft zij meer baat bij een torische implantlens en moet deze lens als noodzakelijk worden beschouwd. De aanvraag om bijzondere bijstand is dan ook ten onrechte afgewezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving voor de kosten van (para)medische zorg in dit geval als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW moeten worden beschouwd. Hieraan voegt de Raad toe dat in deze regelgeving een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten. De omstandigheid dat appellante een torische implantlens in plaats van een mono focale standaard kunstlens belangrijk vindt, omdat dit type lens haar zicht wezenlijk kan verbeteren zodat zij geen bril hoeft te dragen, kan niet leiden tot toekenning van (aanvullende) bijzondere bijstand, omdat artikel 15, eerste lid, van de PW hieraan in de weg staat.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) L. Hagendijk