ECLI:NL:CRVB:2020:533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen op achttiende verjaardag
Appellante diende op 17 december 2015 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering wegens blijvend letsel aan haar rechterarm en mentale problemen. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij gedurende zeven jaar als alfahulp had gewerkt en daarmee een taak kon uitvoeren binnen een arbeidsorganisatie.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door cognitieve beperkingen en restklachten van een kinderoncologische aandoening niet arbeidsvermogen had en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar belastbaarheid. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat het onderzoek van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zorgvuldig was en dat er geen reden was om aan hun conclusies te twijfelen.
De Raad stelde vast dat appellante op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaren daarna een taak kon uitvoeren, ten minste vier uur per dag belastbaar was en minimaal een uur aaneengesloten kon werken. Hoewel na de bevalling in 2015 haar beperkingen toenamen en zij geen arbeidsvermogen meer had, viel dit buiten de vijfjaarsperiode. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de Wajong-uitkering en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.