ECLI:NL:CRVB:2020:541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing en maatregel Ziektewet-uitkering wegens niet verschijnen spreekuur bedrijfsarts
Appellant was werkzaam als cafémedewerker en viel uit wegens burn-outklachten. Zijn dienstverband eindigde in augustus 2016. De ex-werkgever, als eigenrisicodrager voor de Ziektewet, verzocht het UWV om de ZW-uitkering te schorsen omdat appellant niet op het spreekuur van de bedrijfsarts verscheen op 5 oktober 2016. Het UWV schorste de uitkering en legde een maatregel van 10% op. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar deze werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en stelde dat hij door zijn gezondheidstoestand en medicatie niet kon verschijnen. Hij stelde ook dat de schorsing en maatregel hem financieel en psychisch hebben benadeeld. De Raad onderzocht het procesbelang en oordeelde dat de schorsing feitelijk ongedaan was gemaakt door het bezoek aan de bedrijfsarts op 28 oktober 2016. Zonder bewijs van schade door vertraging was er geen procesbelang voor het hoger beroep tegen de schorsing.
Met betrekking tot de maatregel van 10% oordeelde de Raad dat het UWV terecht handelde omdat appellant niet verscheen en daardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld. Medische stukken ondersteunden het standpunt van appellant niet. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en gemotiveerd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep tegen de schorsing niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de schorsing van de ZW-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard en de maatregel van 10% is bevestigd.