ECLI:NL:CRVB:2020:542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante was werkzaam als pedagogisch medewerkster en meldde zich op 13 april 2015 ziek met fysieke klachten. Het UWV kende haar ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling op 25 januari 2016 concludeerde een verzekeringsarts dat appellante belastbaar was met beperkingen, waarna een arbeidsdeskundige berekende dat zij 72,80% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Op basis hiervan stelde het UWV bij besluit van 11 februari 2016 vast dat zij vanaf 23 april 2016 geen recht meer had op ziekengeld.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische beperkingen waren onderschat, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de conclusies van de verzekeringsartsen niet ter discussie stonden.
De Raad beoordeelde ook de door appellante ingebrachte reactie van psychiater Van Eck, die kritiek leverde op het rapport van psychiater Hoen, maar vond deze kritiek onvoldoende onderbouwd met objectief psychiatrisch onderzoek. De medische informatie gaf geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante waren onderschat. De Raad bevestigde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 23 april 2016.