ECLI:NL:CRVB:2020:545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een nabestaandenuitkering ontvangen na het overlijden van haar echtgenoot, maar deze is beëindigd omdat het jongste kind 18 jaar werd. Appellante stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt was en daarom recht had op een uitkering. De Sociale verzekeringsbank (Svb) vroeg advies aan het UWV, dat oordeelde dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Na een fout in de interpretatie werd de uitkering alsnog toegekend, maar later ingetrokken met terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische onderbouwing van het UWV-advies juist was. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep. Er zijn geen nieuwe medische gegevens die twijfel zaaien over de beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De geselecteerde functies zijn medisch geschikt voor appellante, en haar maatmaninkomen is correct vastgesteld op basis van haar eerdere werkzaamheden als zelfstandig kapster.
Appellante voerde aan dat oogklachten haar beperkingen vergroten en dat het uurloon van een kapper als maatmaninkomen had moeten gelden, maar deze gronden zijn niet voldoende om het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad concludeert dat appellante niet voldoet aan de arbeidsongeschiktheidseis van 45% en bevestigt de afwijzing van de nabestaandenuitkering. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen nabestaandenuitkering toekomt omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.