ECLI:NL:CRVB:2020:546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding resterende studieschuld op grond van Wsf 2000
Appellant heeft sinds 2008 studiefinanciering ontvangen, waaronder een rentedragende lening. Na erkenning van een structurele bijzondere omstandigheid werd zijn prestatiebeurs als gift toegekend, maar zijn verzoek tot kwijtschelding van de lening werd door de minister afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellant niet viel onder de in het beleid omschreven uitzonderingssituaties.
Appellant voerde chronische psychische klachten aan die zijn belastbaarheid verminderen en stelde dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van psychiatrische patiënten die kwijtschelding kunnen krijgen. De Raad oordeelde dat de Wet studiefinanciering 2000 alleen kwijtschelding voorziet bij het einde van de aflosfase of overlijden, en dat de minister een strikt beleid voert op basis van artikel 11.5 Wsf 2000 met een beperkte hardheidsclausule.
Uit medisch advies en rapportage bleek dat appellant niet valt onder de beleidscategorieën voor kwijtschelding. De Raad vond geen reden om van het beleid af te wijken, mede omdat appellant gebruik kan maken van draagkrachtmetingen en de restschuld na vijftien jaar wordt kwijtgescholden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de resterende rentedragende lening wordt afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de beleidscriteria.