Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Deze voorwaarden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2004 een Wajong-uitkering vanwege een verstandelijke beperking en gedragsstoornissen. Na de inwerkingtreding van de Wajong 2015 heeft het UWV haar arbeidsvermogen opnieuw beoordeeld en vastgesteld dat zij mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij niet werd gevolgd in haar stelling dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Medische rapporten toonden aan dat haar woede-uitbarstingen zich vooral in de privésfeer voordoen en haar functioneren in een arbeidsorganisatie niet belemmeren. Appellante heeft geen recente medische stukken overgelegd die haar standpunt ondersteunen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat zij arbeidsvermogen heeft. Zij woont zelfstandig, voert een huishouden en voedt haar kinderen op zonder structurele begeleiding. De Raad concludeert dat de verlaging van de uitkering terecht is en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon wegens arbeidsvermogen.