ECLI:NL:CRVB:2020:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens ontbreken bewijs van verblijf of werk in Nederland
Appellant, geboren in 1951 en met de Marokkaanse nationaliteit, heeft op 20 oktober 2016 een AOW-pensioen aangevraagd met de verklaring dat hij tussen 1976 en 1980 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag op 15 juni 2017 afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
Appellant maakte bezwaar, maar dit werd op 6 oktober 2017 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat de Svb voldoende onderzoek had verricht, waarbij geen registratie of bewijs van verblijf of werk in Nederland werd gevonden. Appellant heeft geen aanvullende bewijsstukken overgelegd.
In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat hij recht heeft op AOW vanwege verblijf en werk in Nederland, maar kon dit niet onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een AOW-pensioen wordt afgewezen wegens het ontbreken van bewijs van verblijf of werk in Nederland.