ECLI:NL:CRVB:2020:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was werkzaam als medewerker groepsdetachering en meldde zich in september 2011 ziek met diverse fysieke klachten. Het UWV kende hem in april 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Appellant betwistte dit en achtte zichzelf volledig arbeidsongeschikt. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35% en besloot de uitkering te beëindigen per 10 november 2016.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvond. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen en dat appellant op basis van resterende functies 93,61% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het WSW-indicatierapport uit 2009 niet relevant was voor de WIA-beoordeling.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en het UWV. De Raad bevestigde dat de arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op minder dan 35% en dat de beëindiging van de WGA-uitkering rechtmatig was. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.