ECLI:NL:CRVB:2020:588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-45%
Appellant, voormalig accountmanager, meldde zich in mei 2014 ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatst verrichte werk, maar belastbaar bleef met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige berekende dat appellant nog 38,39% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV kende op 20 mei 2016 een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank bevestigde deze beslissing en vond de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door duizeligheidsklachten meer beperkt was, met een vermoeden van Benigne Paroxismale Positie Duizeligheid (BPPD), maar kon dit niet met overtuigend medisch bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat had meegenomen in de FML en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd medisch geschikt waren. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van een WGA-vervolguitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.