ECLI:NL:CRVB:2020:648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor gangbare arbeid
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met knieklachten. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) stelde het UWV vast dat appellant vanaf 18 september 2015 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen met andere functies. Appellant meldde zich opnieuw ziek, waarna het UWV per 14 december 2015 het recht op ziekengeld introk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat er onvoldoende medische aanwijzingen waren voor arbeidsongeschiktheid op de datum in geding.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met een psychiatrische stoornis en lichamelijke klachten, en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht, waarbij ook de psychische toestand voldoende was betrokken. Het verzoek om aanvullend onderzoek werd afgewezen omdat er geen aanwijzingen waren dat de situatie op de datum in geding significant afweek.
De Raad bevestigde dat de maatstaf van gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd in de EZWb, terecht werd toegepast en dat de hersteldverklaring voldoende was gebaseerd op ten minste één van de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 5 oktober 2015.