ECLI:NL:CRVB:2020:649

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2020
Publicatiedatum
12 maart 2020
Zaaknummer
17/7327 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WGA-uitkering wegens onvoldoende motivering mate arbeidsongeschiktheid

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin zijn mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 57,2%. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een eerdere tussenuitspraak dat de motivering van de arbeidsdeskundige onvoldoende was, met name omdat de functie medewerker gordijnen niet toereikend was gemotiveerd en daarom niet had mogen worden geselecteerd.

Het UWV werd opgedragen een nieuwe beoordeling te maken op basis van de overige drie functies. Deze nieuwe berekening leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 60,29%. Appellant betwistte dit percentage niet gemotiveerd. De Raad concludeerde dat het motiveringsgebrek niet was hersteld en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand konden blijven.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde dat appellant met ingang van 25 april 2016 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van de hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd bepaald dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellant krijgt met ingang van 25 april 2016 recht op een hogere loongerelateerde WGA-uitkering van 60,29%.

Uitspraak

17.7327 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 oktober 2017, 17/2237 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2020
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 24 oktober 2019 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2019:3435, gedaan (tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 5 december 2019 een berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ingediend.
Appellant heeft een reactie ingediend en het Uwv heeft op 13 januari 2020 een nieuwe berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ingediend.
De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende.
1.1.
Bij besluit van 24 maart 2016 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 25 april 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid en deze vastgesteld op 57,2%.
1.2.
In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de motivering van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de kenmerkende belasting en signalering op de resultaat functiebeoordeling bij de functie van medewerker gordijnen niet toereikend is en dat deze functie niet geselecteerd had mogen worden. De kenmerkende belasting en signaleringen op de resultaat functiebelasting van de overige drie geselecteerde functies zijn wel toereikend gemotiveerd. Omdat de functie medewerker gordijnen (de mediaan) vervalt, moet voor de onderhavige einde wachttijdbeoordeling een nieuwe arbeidskundige beoordeling uitwijzen wat de mate van arbeidsongeschiktheid is en of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Het Uwv is opgedragen deze beoordeling te verrichten.
1.3.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de resterende drie functies (machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), medewerker tuinbouw (SBC-code 11010) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180)) berekend op 60,29%.
1.4.
Appellant heeft de juistheid van dit percentage niet gemotiveerd betwist. Wat appellant heeft aangevoerd over de (on)geschiktheid van de functie productiemedewerker industrie kan niet tot een ander oordeel leiden. In de tussenuitspraak is al geoordeeld dat de kenmerkende belasting en signaleringen op de resultaat functiebelasting van de overige drie geselecteerde functies, waaronder begrepen de functie productiemedewerker industrie, toereikend is gemotiveerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 10 januari 2020 nog nader gemotiveerd dat deze functie geschikt is voor appellant.
2. Nu de nieuwe berekening van het Uwv ertoe leidt dat appellant met ingang van 25 april 2016 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan in het bestreden besluit is vastgesteld, is het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet hersteld en is er geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen en geoordeeld, zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal bepalen dat appellant met ingang van 25 april 2016 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60,29%.
3. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en op € 1.312,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De totale proceskostenveroordeling is € 2.362,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit 14 februari 2017;
  • bepaalt dat appellant met ingang van 25 april 2016 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60,29%;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.362,50;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van R. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020.
(getekend) E. Dijt
(getekend) R. Rijnen