ECLI:NL:CRVB:2020:682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
18/2929 WIA-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening besluit Wet WIA wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 7 april 2016, waarbij de WIA-uitkering werd geweigerd wegens het niet volbrengen van de wachttijd van 104 weken. Dit verzoek werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was, ondanks dat destijds geen medisch en arbeidskundig onderzoek was verricht.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat appellant geen nieuwe feiten heeft aangevoerd en dat het verzoek feitelijk neerkomt op het opnieuw voeren van de discussie over de juistheid van het oorspronkelijke besluit. Er is geen grond om het bestreden besluit als evident onredelijk te beschouwen.

De Raad wijst ook op het feit dat appellant tegen het oorspronkelijke besluit rechtsmiddelen had kunnen inzetten om de zorgvuldigheid ervan aan te vechten. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 5 maart 2020.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

18.2929 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2018, 17/6295 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2020
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: M. Graveland
Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. D. van der Wal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant heeft op 16 februari 2017 het Uwv verzocht om terug te komen van zijn besluit van 7 april 2016, waarbij het Uwv heeft geweigerd appellant met ingang van 26 februari 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht. Het Uwv heeft dit verzoek bij besluit van 27 februari 2017 afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Bij besluit van 14 september 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het Uwv heeft het herzieningsverzoek mogen afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 april 2016 evident onredelijk is. De omstandigheid dat destijds zonder medisch en arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat appellant de wachttijd voor de Wet WIA niet heeft volbracht leidt niet tot de conclusie dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4204, geoordeeld dat geen sprake is van een duuraanspraak en daarom afzonderlijke toetsing voor de periode vanaf het moment van het herzieningsverzoek niet aan de orde is.
3.
Niet in geschil is dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de weigering om terug te komen van het besluit van 7 april 2016 evident onredelijk is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Daar wordt aan toegevoegd dat appellant tegen het besluit van 7 april 2016 rechtsmiddelen had kunnen aanwenden en daarbij had kunnen aanvoeren dat dit besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Gelet op zijn stellingen beoogt appellant in feite de discussie over de juistheid van het besluit van 7 april 2016 opnieuw te voeren. Daarin is echter geen grond gelegen voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Graveland (getekend) M. Schoneveld