ECLI:NL:CRVB:2017:4204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet onafgebroken arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht het UWV terug te komen op het besluit van 10 juni 2010 waarin een WAO-uitkering werd geweigerd wegens het ontbreken van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid. Dit verzoek werd ondersteund met medische verklaringen en recepten, maar het UWV handhaafde het besluit na onderzoek, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat het besluit als een eerste aanvraag beoordeeld moest worden en dat de rechtbank ten onrechte niet had getoetst op evidente onredelijkheid. De Raad oordeelde dat het UWV slechts heeft getoetst op nieuwe feiten conform artikel 4:6 Awb Pro en dat de rechtbank dit correct heeft gemotiveerd.
De medische stukken bevatten geen nieuwe gegevens die niet eerder bekend waren. Ook was er geen sprake van evidente onredelijkheid in het besluit. Verder werd vastgesteld dat er geen duuraanspraak op WAO-uitkering bestaat zonder medische en arbeidskundige beoordeling aan het einde van de wachttijd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.