ECLI:NL:CRVB:2020:702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als onderwijsassistente en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35% en beëindigde de WGA-loonaanvullingsuitkering per 10 maart 2017.
Appellante betwistte deze vaststelling en voerde aan dat er verdergaande beperkingen en een urenbeperking moesten worden aangenomen vanwege haar klachten. Zij verwees naar medische rapporten, waaronder dat van Opheij, en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen adequaat had vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waren. De rapporten van Opheij en de brieven van de internist en psychiater boden onvoldoende aanleiding om de vastgestelde beperkingen te herzien.
De Raad zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen en bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.