ECLI:NL:CRVB:2020:705

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
18 maart 2020
Zaaknummer
17-7849 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld werken in Engeland

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de intrekking en terugvordering van bijstand.

Appellante had in twee perioden bijstand ontvangen terwijl zij in Engeland werkte zonder dit te melden aan het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het college had op basis van informatie van de Engelse Belastingdienst aangetoond dat appellante in de eerste periode ook in Engeland werkzaam was en daarmee geen recht had op bijstand.

Appellante stelde dat zij slachtoffer was van identiteitsfraude, maar kon dit niet aannemelijk maken. Haar verklaringen waren tegenstrijdig en er ontbraken ondersteunende bewijzen zoals aangifte of bankafschriften. Daarnaast stond een opleiding die zij volgde niet in de weg aan het werken in Engeland.

De Raad concludeerde dat de intrekking van de bijstand over beide perioden terecht was en dat het teruggevorderde bedrag van € 10.471,04 correct was. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemeld werken in Engeland wordt bevestigd.

Uitspraak

17.7849 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2017, 17/1841 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 10 maart 2020
Zitting heeft: mr. J.N.A. Bootsma
Griffier: T. Ali
Appellante en haar advocaat mr. D.W.M. van Erp zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Dit betekent dat de intrekking van bijstand over periode 1 (van 21 mei 2012 tot en met 23 november 2012) terecht is. Samen met de niet bestreden intrekking over periode 2 (van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016) is € 10.471,04 teveel aan bijstand verleend. Dit bedrag is terecht teruggevorderd.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in periode 2 in Engeland heeft gewerkt en dit in de strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het college heeft gemeld.
Uit informatie van de Engelse Belastingdienst bleek dat appellante ook in periode 1 in Engeland heeft gewerkt. Bij het bedrijf S heeft zij £ 8.159,-, omgerekend € 9.500,-, verdiend. Hiermee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellante in die periode geen recht had op bijstand.
Over periode 1 heeft appellante gesteld dat zij het slachtoffer was van identiteitsfraude; iemand anders heeft met gebruikmaking van haar gegevens in Engeland gewerkt. Dat dit inderdaad zo was heeft appellante echter niet aannemelijk gemaakt.
Appellante heeft in de loop van de procedure tegenstrijdige verklaringen afgelegd, die daardoor niet geloofwaardig zijn. In het bezwaarschrift staat dat een kennis haar gegevens heeft gebruikt en dat zij haar ongenoegen naar haar kennis heeft uitgesproken. Bij de hoorzitting heeft appellante gezegd dat ze huisgenoten waren. In het beroepschrift staat dat zij niet wist dat iemand anders onder haar naam bij bedrijf S in Engeland werkte.
Mogelijke andere bewijzen om haar stelling te onderbouwen, zoals een aangifte, afschriften van de Engelse bankrekening die appellante had, of informatie van bedrijf S of van verzoeken van appellante om informatie aan dat bedrijf ontbreken.
Ook het feit dat appellante een diploma heeft behaald voor een opleiding die zij in Nederland volgde van augustus 2012 tot juli 2013 heeft de Raad er niet van overtuigd dat zij niet in Engeland kan hebben gewerkt. Niet is in geschil dat appellante van 15 juli 2012 tot 3 september 2012 in het buitenland was. Vanaf 21 mei 2012 tot 3 september 2012 stond de opleiding dus niet in de weg aan werken in Engeland. De stage voor de opleiding begon op 14 december 2012. Een onderbouwing voor de stelling dat appellante tussen 3 september 2012 en 23 november 2012 bij de opleiding aanwezig moest zijn en ook was, is er niet.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) mr. J.N.A. Bootsma